Het gaat bar slecht met de vogels in de Graafschap

Typerend voor de Graafschap is het kleinschalige coulisselandschap met kleine bosjes, houtwallen, singels, heggen en bolle akkers. Het werkgebied van de vogelwerkgroep Noord-West-Achterhoek ligt, met Lochem als centraal middelpunt, voor een groot deel in het Nationaal Landschap De Graafschap. De meest voorkomende biotopen voor vogels in het werkgebied zijn bos, zowel gesloten als halfopen, en agrarisch gebied. In het (half)open agrarisch cultuurlandschap verdwenen weidevogels als Grutto Limosa limosa, Tureluur Tringa totanus en Veldleeuwerik Alauda arvensis. Soorten als Nachtegaal Luscinia megarhynchos en Patrijs Perdix perdix worden nog zelden gezien of gehoord rond Lochem. Ook cultuurvolgers als Boerenzwaluw Hirundo rustica, Huiszwaluw Delichon urbicum en Huismus Passer domesticus volgen deze negatieve trend van achteruitgang.

Hoor je nog wel eens een koekoek?

De koekoek Cuculus canorus komt bijna overal in Europa voor. Het is een langeafstandstrekker die hier aankomt rond april-mei, en in augustus-september terugkeert naar de gebieden ten zuiden van de Sahara. In Nederland was er een achteruitgang van 50% in de laatste 30 jaar. Ook in Vlaanderen zijn de aantallen sterk gedaald in de voorbije 30 jaar. De terugval is het sterkst in landbouwgebieden. De soort staat als bedreigd op de rode lijst van Luxemburg en als gevoelig op de rode lijst van Duitsland. In Ierland, Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Zweden en Kroatië ging de soort in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Het broedseizoen van de koekoek is van mei tot juli, waarbij het broeden en grootbrengen van de jongen over wordt gelaten aan andere vogels (waardvogels). Deze broedparasiet steelt een ei uit een nest, daarna wordt snel het eigen ei in dit nest gelegd. De koekoek voedt zich met insecten en één van de redenen van de achteruitgang is de sterke vermindering van vlinders en motten.

Madeira groot koolwitje als eerste Europese vlindersoort uitgestorven

Een eerste Europese vlindersoort, het Madeira groot koolwitje Pieris wollastoni, is uitgestorven. Ook meer algemene vlindersoorten kennen een sterke achteruitgang. Tot die vaststelling kwamen vlinderexperten uit 31 Europese landen. De situatie van dagvlinders is het meest dramatisch in Noordwest-Europa. België en Nederland zijn daarbij de trieste koplopers. Uit onderzoek van de Vlinderwerkgroep van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is gebleken dat in België ongeveer een derde van dagvlindersoorten verdwenen is en dat nog een derde bedreigd is.

Sinds 1975 zijn de landelijke aantallen van de watersnip met bijna driekwart teruggelopen

Sinds 1973-1977 is het verspreidingsgebied van de watersnip Gallinago gallinago sterk gekrompen. De soort is zo goed als verdwenen uit Limburg, en sterk afgenomen in Noord- en Zuid-Holland, het rivierengebied, Midden-Nederland en Noord-Brabant. Ook in Friesland en Drenthe waar van oudsher de vroegere bolwerken te vinden zijn is de soort deels verdwenen. De huidige verspreiding van de watersnip is voor het grootste deel beperkt tot de veenweidegebieden van Friesland, Noordwest-Overijssel (met als belangrijk bolwerk de omgeving van Giethoorn en Wanneperveen) en Noord-Holland (Zaanstreek), naast sommige beekdalen in Drenthe. Ook in veel andere delen van Europa ging de watersnip in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Het hoofdvoedsel bestaat uit onder het bodemoppervlak levende wormen, insectenlarven en andere ongewervelden.

Extreme oppervlaktewaterverontreiniging met bestrijdingsmiddelen bedreigt de kluut in het Delta- en Waddengebied

De kerngebieden van de verspreiding van de kluut Recurvirostra avosetta zijn gelegen in de Waddenzee (vooral Noord-Friesland-buitendijks, Groningse Noordkust, Dollard), de Kop van Noord-Holland (Balgzand) en het Deltagebied (grootste kolonies in Volkerakmeer en Haringvliet). In het afgelopen decennium viel in de Delta een substantiële teruggang te bespeuren. Zo nam het aantal paren in het Haringvliet in 2009 t.o.v. 2008 met 44% af; met 253 paren bereikte de soort hier het laagste aantal sinds 2002. In het Volkerakmeer neemt de Kluut sinds 2003 jaarlijks in aantal af en werd in 2009 met 145 paren een dieptepunt bereikt. De kluut was van oudsher ook een broedvogel op de Slikken van Flakkee, de Hompelvoet en de Slikken van Bommenede. Ook hier zijn de aantallen sterk teruggelopen. Recent neemt het aantal kluten ook in het Waddengebied af. Een sterke afname doet zich voor langs de vastewalkust. Langs de Noordkust van Groningen, tussen Lauwersmeer en Eemshaven, broedde in 2004 nog maar 16% van de populatie in 1987. Een vrijwel vergelijkbare trend wordt ook langs de Friese Noordkust gevonden. De aantalsontwikkeling van de kluut op het Balgzand is ronduit rampzalig. Tot 2005 kwamen jaarlijks nog 400-600 paren tot broeden. In 2008 broedden nog slechts 23 paren kluten op Balgzand. Het broedsucces is bovendien nihil. In alle belangrijke broedbiotopen van de kluut in het Delta- en Waddengebied worden arthropoden bedreigd door extreme oppervlaktewaterverontreiniging met imidacloprid en andere bestrijdingsmiddelen, met name door de bollen- en aardappelteelt. In vrijwel alle andere gebieden van Europa was de broedpopulatie van de kluut in de jaren 1990 stabiel of nam zelfs toe (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Fruitteelt en akkerbouw veroorzaken zware normoverschrijdingen van imidacloprid in het oppervlaktewater

Het Waterschap Rivierenland heeft in 2009 resultaten gepubliceerd van de monitoring van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater op agrarische monsterpunten in 2008. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op fruitteelt-, boomteelt-, veehouderij- en akkerbouwgerelateerde monsterpunten. In de fruitteelt en akkerbouw lag de hoogst gemeten imidacloprid concentratie respectievelijk 125x en 70x boven de norm. Imidacloprid werd in 2008 aangetroffen in circa 40-45% van de monsters op punten van fruitteelt, boomteelt, en akkerbouw, en in 19% van de monsters op punten van veehouderij.

De boomteelt sector schuift ernstige milieuverontreiniging met bestrijdingsmiddelen voor zich uit

De boomteelt beslaat in Nederland slechts een kleine oppervlakte, maar groeit sterk in Brabant, vooral in de omgeving van Zundert. De middelen die in de boomteelt het meest belastend zijn voor het milieu (cijfers 2006) zijn imidacloprid (tegen insecten), kresoxim-methyl (tegen schimmels), linuron, diquat dibromide en paraquat dibromide. Bestrijdingsmiddelen gebruikt in de boomteelt zorgen in Zundert voor grote problemen in de omgeving. Water en natuur in de omgeving worden ernstig vervuild. De Brabantse Milieufederatie heeft de boomteeltsector rond Zundert hierop aangesproken. De BMF is van mening dat de sector de problemen teveel voor zich uitschuift; het is hoog tijd voor concrete maatregelen.

De tulpen worden duur betaald

In 2008 is in 40% van alle metingen van imidacloprid in het oppervlaktewater van het bloembollenteelt areaal een overschrijding gevonden, veruit het hoogste percentage sinds de start van de metingen in 2001. Overschrijdingen vinden vooral plaats in het ‘Noord-Hollands Zandgebied’ (57% van de metingen) en ‘Noord-Hollands Kleigebied’ (56%), beide in het gebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorder Kwartier (HHNK). Dit zijn de gebieden met het grootste areaal tulp, waarin het middel veel wordt ingezet. In de meetperiode 2003-2004 is imidacloprid voor het eerst in het meetnet bollenteelt normoverschrijdend aangetroffen. De hoogste gemeten concentratie van het voor bijen zeer giftige insecticide imidacloprid lag in 2005 meer dan 24000x boven de norm en in 2006 meer dan 15000x boven de norm. De bollenteelt concentreert zich in Nederland op zandgrond, dat zeer kwetsbaar is voor uitspoeling. Uit een recent RIVM rapport (bijlage) blijkt dat in de bollenteelt de hoeveelheid imidacloprid die in het oppervlaktewater terecht komt vooral bepaald wordt door drainage (ontwatering). Drainage is strikt noodzakelijk omdat een constant grondwaterpeil voor bollenteelt (bijvoorbeeld tulpen) zeer belangrijk is. De verantwoordelijkheid voor oppervlaktewaterverontreiniging met imidacloprid door de bollenteelt kan dus niet op de bollenboeren worden afgeschoven.

De broedpopulatie van de strandplevier is zeer sterk gedaald in de afgelopen 35 jaar

Strandplevieren waren lange tijd kenmerkende broedvogels van onze kustgebieden. In de afgelopen 35 jaar is de landelijke broedpopulatie van de strandplevier Charadrius alexandrinus meer dan 75% in aantal afgenomen: van 700-900 paren in de periode 1973-1977, naar 500-700 paren in 1979-1985, naar 330-370 paren in 1993-1997 en vervolgens naar 270-320 paren in 1998-2000 en 170-200 paren in 2009. De broedverspreiding van de strandplevier is nu nagenoeg beperkt tot het Delta- en Waddengebied en het zwaartepunt ligt in het Deltagebied (Grevelingenmeer, Westerschelde en Krammer-Volkerak). Eind 70-er jaren broedden ten minste 200 paren in de Grevelingen (bijvoorbeeld Slikken van Flakkee maximaal 117 paren, Veermansplaten 63 en Hompelvoet 60). Sedertdien vond een gestage afname plaats tot het huidige niveau van ruim 60 paren. In de hele Waddenzee broeden nog maar 25 paar strandplevieren en ook hier was de laatste jaren sprake van een afname van het aantal broedparen. De broedpopulatie van de strandplevier ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Het voedsel van de strandplevier bestaat uit insecten, kreeftachtigen, wormen en weekdieren.

De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit en dreigt uit te sterven in Nederland

De landelijke populatie van de grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is achteruitgegaan van ten minste 5.000 broedparen in 1950-1960 tot 1.200-1.600 in 1970-1980, 400-550 in 1989-1991, 250 in 1999-2003, en 150-180 in 2009. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones en het voedsel bestaat vooral uit water- en oeverinsecten zoals libellen en waterkevers. Het verspreidingsgebied van de grote karekiet is nu geconcentreerd in een aantal kerngebieden, met het belangrijkste bolwerk in Noordwest-Overijssel en directe omgeving (Wieden, Ketelmeer-Vossemeer, Zwarte Meer). Over de periode 1989-2001 bedroeg de afname in het bolwerk in Noordwest-Overijssel 40%. De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.