De ortolaan is praktisch uitgestorven in Nederland en Vlaanderen

Rond 1900 was de ortolaan Emberiza hortulana ten oosten van de lijn Oost-Groningen/Hilversum/Zeeuws-Vlaanderen een plaatselijk vrij algemene broedvogel. Rond 1950 bedroeg de Nederlandse populatie tenminste enkele honderden paren. Midden jaren zeventig was het bestand geslonken tot zo'n 125 paar, die bijna geheel beperkt waren tot Noord-Brabant, de Achterhoek en Noord-Limburg. Ook nadien heeft de teloorgang van de ortolaan zich onverminderd doorgezet; Brabant en de Achterhoek werden verlaten en de Limburgse bolwerken rond Grubbenvorst en Blerick liepen vrijwel leeg. De totale broedpopulatie bedroeg 32 paar in 1990, 18 paar in 1992 en hooguit enkele paren in 1994. Sinds 1998 hebben hooguit 2 ortolanen in Nederland gebroed. Het is vrijwel zeker dat de ortolaan inmiddels uit Nederland en Vlaanderen is verdwenen. De soort staat op de Duitse rode lijst als bedreigd. Ook elders in Europa verliest de ortolaan op grote schaal terrein (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De grauwe gors zal binnen een paar decennia uit de Benelux verdwijnen

De grauwe gors (Miliaria calandra, synoniem: Emberiza calandra) was vermoedelijk lange tijd een plaatselijk gewone vogel van akker- en graslanden, vooral in het oosten en zuiden des lands. Midden jaren zeventig bleek de Nederlandse populatie nog maar 1100-1250 paar te bedragen. Groningen, het rivierengebied, Zeeuws-Vlaanderen en Limburg waren toen nog bolwerken voor de soort. Sindsdien is de stand van de grauwe gors steeds verder gekelderd; van 450-700 paar in 1980 en 250-375 paar in 1985 tot 50-75 paar in 1992. Vanaf 2008 werd geen enkel succesvol broedgeval van de Grauwe Gors meer gemeld. De laatste bolwerken waren Limburg en de uiterwaarden van de Waal. In Vlaanderen is de soort ook hard achteruit gegaan. In 1973-'77 waren er nog enkele duizenden, in 2005 zakte het bestand in Vlaanderen onder de 150 paar. In Luxemburg is de soort in 2001 uitgestorven. De soort staat op de Duitse rode lijst als bedreigd. In Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië ging de soort in de jaren 1990 hard achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De roerdomp is ernstig bedreigd in Nederland en Vlaanderen, maar lijkt sinds 1996 iets vooruit te gaan

De roerdomp Botaurus stellaris is al eeuwenlang broedvogel in Nederland, zo blijkt al uit jachtverslagen uit de 15de eeuw. Al enkele eeuwen neemt het aantal broedende roerdompen in Nederland af; een proces dat nog steeds niet tot staan is gebracht. In de jaren zeventig waren van de duizenden van weleer nog zo'n 500-700 paren over, begin jaren negentig was de stand verder gedaald tot 150-180 paar. Volgens SOVON is er sindsdien geen betrouwbare trendclassificatie mogelijk. Het aantal broedparen in de periode 1996-2007 lijkt iets vooruit te gaan. De roerdomp is in 2004 als bedreigd op de Nederlandse rode lijst gezet. De soort staat ook op de Vlaamse rode lijst als ernstig bedreigd. Er broedde daar in de periode 1994-2005 hoogstens 13 paar. De roerdomp staat ook op de Duitse rode lijst als ernstig bedreigd. De soort ging in de jaren 1990 achteruit in Frankrijk, Duitsland, Slowakije en in de Ukraine (gegevens Birdlife International). De roerdomp eet voornamelijk vis, amfibieën en insecten, ook kleine vogels, zoogdieren en ongewervelden.

De ambassadeur van het Nederlandse polderlandschap houdt het wel voor gezien

Van alle grutto's in Noordwest-Europa broedt 90 procent in Nederland. De grutto eet wormen, insecten en larven van insecten zoals larven van langpootmuggen (emelten), broedt in vochtige weilanden en natte venen en heeft, tot recentelijk, een uitstekend habitat gevonden in graslanden in agrarisch gebruik. Grutto's Limosa limosa zijn dè ambassadeurs van het Nederlandse polderlandschap. In grote delen van het land is het aantal grutto's tot in de jaren vijftig toegenomen. De toegenomen voedselrijkdom door de intensievere bemesting was daar debet aan. Omstreeks midden jaren zestig kon de grutto het tempo van de agrarische veranderingen niet meer bijbenen. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan.

Een schatting van de totale populatie voor midden jaren tachtig komt op 85.000 tot 100.000 paar. Inmiddels is de stand opnieuw drastisch afgenomen: er resteren nog 46.000 paren (2000) en de populatie neemt nog steeds fors af. Volgens de Vogelbescherming is het bestand sinds 1980 met 60% afgenomen. De achteruitgang van de grutto blijkt niet alleen plaats te vinden in agrarische gebieden, maar ook, en in nog sterkere mate in de natuurreservaten. Ook de broedpopulaties in Duitsland, Polen, Ukraine en Rusland gingen in de periode 1990-2000 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd.

Het broedareaal van de zwarte stern is sinds 1970 met tweederde afgenomen - in Vlaanderen is de soort verdwenen

Rond 1950 was de zwarte stern Chlidonias niger met 13.000 tot 20.000 broedparen een talrijke vogel in laaggelegen delen van Nederland. Hiervan waren er in 1992/97 nog 1200 over. Volgens SOVON is er sinds 1990 geen significante aantalsverandering. Rond 2007 broedden er nog steeds ongeveer 1200 paar in Nederland. Dit betekent dat het niveau tegenwoordig 85% lager ligt dan in 1950. In vergelijking met de jaren 1970 is het broedareaal met tweederde afgenomen. De zwarte stern is in 2004 als bedreigd op de Nederlandse rode lijst gezet. Deze stern staat ook op de Vlaamse rode lijst maar dan als verdwenen uit Vlaanderen. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. In de jaren 1990 ging de soort ook in veel Oost-Europese landen achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De broedbiotoop bestaat vooral uit zoetwatermoerassen, vennen, uiterwaarden, plassen en sloten, en oevers van meren en langzaam stromende rivieren. Van belang is de aanwezigheid van drijvende waterplanten waarop de nesten worden gebouwd. Zwarte sterns eten in de broedtijd veel insecten en andere kleine ongewervelde dieren. Naast een voldoende groot aanbod van insecten is de aanwezigheid van visrijk water binnen een straal van 5 km van het nest van belang, omdat vissen een noodzakelijke aanvulling op het dieet van de zwarte stern vormen.

De veldleeuwerik - in 1970 de meest verspreid voorkomende vogel in Nederland - staat op de rode lijst in de Benelux

In de jaren 1970 was de veldleeuwerik Alauda arvensis de meest verspreid voorkomende vogel in Nederland. Veldleeuweriken waren te vinden in open velden, weiden, veengebieden, akkers, en ’s winters vaak op woeste grond, geploegde akkers, en stoppelvelden. Het aantal broedparen in Nederland is dramatisch achteruit gegaan van 700.000 in de jaren 1970 naar slechts 38.000 paar in 2010. Volgens de Vogelbescherming is het bestand sinds 1980 met 90% afgenomen. De kans om op een zomerse dag de uitbundig klinkende zang van een veldleeuwerik te horen is zo goed als nul geworden en de vogel staat sinds 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst, als kwetsbaar op de Vlaamse rode lijst, en als bedreigd op de Duitse en Luxemburgse rode lijst. De soort ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Noord-West-Europa en Zuid-Oost-Europa sterk achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Stabiele broedpopulaties werden alleen in Centraal en Oost-Europa gezien.

De veldleeuwerik eet insecten en zaden en zoekt voedsel op de grond. Van alle boerenlandvogels heeft de veldleeuwerik de hardste klappen gekregen. Insecticiden en herbiciden hebben hun werk gedaan in agrarisch cultuurland. Er zijn nu minder bloemen, kruiden en insecten.

Grauwe vliegenvangers gaan achteruit sinds 1990

Grauwe vliegenvangers Muscicapa striata broeden in gevarieerde loofbossen, dorpen met oude bomen en kleinschalig agrarisch landschap. Vanaf één of meerdere vaste uitkijkposten maken ze korte snelle vluchten achter vliegende insecten aan, die vaak in de lucht gevangen worden of van bladeren worden afgepikt. Grauwe vliegenvangers maken daarbij geen gebruik van een verstopplaats, maar zitten heel stil tot een geschikte maaltijd langs komt vliegen. De soort staat as gevoelig op de Nederlandse rode lijst omdat de grauwe vliegenvanger sinds 1980 (en mogelijk al eerder) geleidelijk afneemt. Volgens SOVON is er een afname van <5% per jaar sinds 1990. Het totale aantal broedparen wordt nu geschat op 20.000 tot 30.000 paren. Ook in België, Frankrijk, Engeland en Noorwegen is de soort in de periode 1990-2000 achteruit gegaan (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De ransuil maakt moeilijke tijden door

In open gebieden met voldoende landschapselementen als bosjes, houtwallen en dichte hagen vind de ransuil Asio otus zijn voedsel, dat hoofdzakelijk uit (veld)muizen bestaat. In tijden van muizenschaarste schakelen veel ransuilen over op het eten van kleine vogels. De ransuil jaagt in gebieden met lage vegetatie, zoals moerassen, weilanden, akkers. Duidelijk is dat deze uilensoort moeilijke tijden doormaakt; de aantallen zijn lager dan circa dertig jaar geleden. Volgens SOVON daalde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar. Er broedden in 2007 nog ongeveer 5500 paar in Nederland. Deze uil is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. Ook in Engeland, Duitsland en Zwitserland is de broedpopulatie in de periode 1990-2000 afgenomen (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De slobeend staat sinds 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst

De slobeend Anas clypeata leeft in ondiep, modderig water, poelen en plassen in of bij rietvelden en graslanden begrensd met overvloedige opgaande vegetatie en behoort tot de (secundaire) weidevogels. Volgens SOVON was er sinds 1990 een significante afname in aantallen broedvogels en waren er in 2007 nog circa 8500 broedparen in Nederland. Omdat de afname in aantallen broedvogels zorgelijk is, werd soort in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. De soort staat als bedreigd op de Duitse rode lijst. Hoewel er hoogstens 1000 slobeenden in Vlaanderen broeden, staat de soort niet op de Vlaamse rode lijst. Ook in Polen en de Ukraine gingen broedbestanden in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De slobeend zoekt zowel aan de oppervlakte als duikend voedsel en eet garnaaltjes, slakken, insecten en larven, en zaden van waterplanten.

Met de eidereend gaat het weer bergafwaarts

Vrijwel de gehele Nederlandse broedpopulatie van de eider Somateria mollissima nestelt op de Waddeneilanden (met name op Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog). Zeer kleine aantallen broeden langs de Fries-Groningse Waddenkust en in het Deltagebied (op Neeltje Jans en in de Oosterschelde). Eidereenden broeden sinds 1906 in het Nederlandse Waddengebied. Aanvankelijk namen de aantallen hier toe, totdat lozingen van uit de Rijnmond afkomstige vergiften eind jaren zestig een massale sterfte veroorzaakten. Na een verbod op de belangrijkste veroorzakers trad een herstel op; midden jaren tachtig bedroeg de stand 5000-7000 broedparen. Sindsdien gaat het weer bergafwaarts. In andere delen van Europa was de soort in de periode 1990-2000 stabiel, met uitzondering van een afnemende populatie in IJsland (gegevens Birdlife International, zie bijlage).