Extreme verontreiniging van regionale wateren met imidacloprid in 2007 en 2009

Imidacloprid wordt niet standaard gemeten op innamepunten van drinkwater. De meeste innamepunten liggen echter aan grote wateren of direct daaraan gelegen zijtakken en uit gegevens van Rivierwaterbedrijven (RIWA) en de Waterdienst blijkt dat de stof daar vrijwel niet wordt aangetroffen. In regionale wateren vindt men de stof wel vaak terug en in hogere concentraties. Van de monsters waarin imidacloprid in 2007 betrouwbaar kon worden gemeten is de hoogste concentratie 54 microgram per liter. In 99% van de gevallen is de concentratie 10 microgram per liter of lager. In 2009 was de hoogste concentratie 12 microgram per liter. In 99% van de gevallen is de concentratie 4,2 microgram per liter of lager. De MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) van imidacloprid voor oppervlaktewater is 13 nanogram per liter. De hoogst gemeten concentraties in regionale wateren lagen in 2007 en 2009 dus 4.154 keer en 923 keer boven het maximaal toelaatbaar risiconiveau. Dergelijke concentraties vormen een dodelijke bedreiging voor insecten en andere ongewervelde dieren.

Sinds 2002 is de grote klapekster als broedvogel uit Nederland verdwenen

De grote klapekster Lanius excubitor broedt in heidevelden, hoogvenen en andere vergelijkbare open gebieden met verspreide bomen en struiken. Rond 1900 was de grote klapekster een schaarse, maar verspreide broedvogel in het oostelijk deel van het land. Rond 1950 waren wellicht nog zo'n 100 broedparen over, terwijl midden jaren zeventig nog enkele tientallen paren resteerden. Sindsdien zijn de broedgebieden in Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg vrijwel verlaten. De Veluwe was het laatste bolwerk van de soort in Nederland. In de 90'er jaren broedden 15 tot 40 paar in dit gebied. Sinds 2002 is de grote klapekster als broedvogel uit Nederland verdwenen.

De visarend komt mogelijk tot broeden in Nederland

Het is nog niet met zekerheid vastgesteld of visarenden Pandion haliaetus daadwerkelijk in Nederland broeden, maar er is inmiddels de kans dat er een of enkele paren (pogen te) broeden in uitgestrekte moerasgebieden (Biesbosch, De Wieden en Weerribben). Sinds enkele jaren verblijven er gedurende het voorjaar en de zomer visarenden in Nederland. Voorheen was de soort altijd een doortrekker die hier niet tot broeden kwam. De belangrijkste pleisterplaatsen liggen in het IJsselmeergebied, het Friese merengebied, het Utrechts plassengebied en langs de grote rivieren. Maar ook elders bij allerlei zoete wateren wordt de soort regelmatig gezien. De aantallen van de visarend lijken in ons land al decennia geleidelijk toe te nemen en het verspreidingsgebied is groter geworden. Visarenden vliegen over het wateroppervlak op zoek naar prooi die zich vlak onder het wateroppervlak bevindt. Op het laatste moment gooit hij zijn poten naar voren om voornamelijk middelgrote vis te pakken. De populatie van de visarend was in de periode 1990-2000 vrijwel overal in Europa stabiel of toenemend (gegevens Birdlife International, zie bijlage)

Het aantal broedparen van de grote zilverreiger is sinds de eeuwwisseling spectaculair gestegen

Het eerste broedgeval van de grote zilverreiger (Ardea alba voorheen ook bekend als Egretta alba of Casmerodius albus) in Nederland vond plaats in 1978 (Oostvaardersplassen). Het aantal broedparen is in Nederland vooral sinds de eeuwwisseling spectaculair gestegen naar circa 150 paar (in 2007). De Oostvaardersplassen blijven het belangrijkste broedgebied, maar daarnaast zijn er broedgevallen vastgesteld in de Oude Venen, het Naardermeer en de Nieuwkoopse Plassen. De Grote Zilverreiger heeft een voorkeur voor uitgestrekte moerasgebieden met ondiep water en de uitgestrekte rietvelden. De plassen en poelen in Oostvaardersplassen vormen ook tijdens de winter een belangrijk gebied voor pleisterende Grote Zilverreigers.

Het populatieherstel van de ijsvogel sinds de strenge winter van 1962/63 lijkt duurzaam

De natuurlijke verspreiding van de ijsvogel Alcedo atthis als broedvogel betreft het gehele land met uitzondering van het Waddengebied. De meeste ijsvogels broeden op de zandgronden van oostelijk Noord-Brabant, Limburg en de Achterhoek, in de duinstreek en langs de grote rivieren. De nesten worden uitgegraven in steile oevers van beken, kleine rivieren, kanalen, vaarten, grachten, vijvers, plassen en afgravingen. De soort is zeer gevoelig voor strenge vorst. IJsvogels zijn in staat om in korte tijd veel jongen groot te brengen. Op deze wijze compenseren ze het verlies aan vogels gedurende strenge winters. Na de strenge winter van 1962/63 waren er minder dan 20 paar overgebleven. Pas in 1975 werden weer zo'n 300 broedparen geteld. Vanaf 1990 is er volgens SOVON een significante toename van >5% per jaar en het huidige broedbestand (2005-2008) wordt geschat op 500 - 1.050 paar. De broedpopulaties van deze soort waren in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa stabiel (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De fuut handhaaft zijn wijde verspreiding over Nederland

De fuut Podiceps cristatus is een wijd verspreide watervogel die in broedtijd te vinden is op meren, plassen, rustige riviergedeelten, ook in stadsparken en grachten, en buiten de broedtijd in brakke riviermondingen, lagunes, beschutte kustwateren en grote meren. Na het broedseizoen concentreren Futen zich op de grotere zoete of zoute wateren om te ruien. Vooral het IJsselmeer en in mindere mate het Deltagebied en de Waddenzee zijn belangrijke ruigebieden. Lange tijd was het IJsselmeer het belangrijkste futengebied in Nederland. Na uitvoering van de Deltawerken haalde de Grevelingen het IJsselmeer in als belangrijkste gebied. De fuut vangt vooral kleine vis (van 2-10 cm) door tot 4 m diepte te duiken. In het IJsselmeer bestaat een groot deel van zijn voedsel uit spiering.

De broedpopulatie van het woudaapje is sinds 1990 op enkele tientallen blijven steken

De woudaap Ixobrychus minutus (die toen nog wouwaapje heette) was vòòr 1950 nog een plaatselijk talrijke broedvogel, vooral in de rietmoerassen en plassengebieden in Zuid-Holland en Utrecht. In de periode 1961-67 werd het aantal broedvogels op 250 paar geschat. Dit aantal daalde gestaag, in 1973-77 was het al gehalveerd en in 1978-83 schatte men het op nog maar 50 paar. In de periode 1988-89 volgde weer een halvering. Sinds 1990 is er volgens SOVON significante toename van <5% per jaar. Het broedbestand werd in 2005-2008 door SOVON op 12 - 16 paar geschat. Over de laatste 10 jaar is volgens SOVON geen betrouwbare trendclassificatie mogelijk. De woudaap is in 2004 als ernstig bedreigd op de Nederlandse rode lijst gezet en staat ook als zodanig op de Vlaamse rode lijst. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. In de periode 1990-2000 gingen broedbestanden in Polen, Wit-Rusland, Slowakije, Kroatië en Portugal achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Het voedsel van de woudaap bestaat uit vis, amfibieën en aquatische insecten, die worden gevangen in ondiep water.

De broedpopulatie van de kwak neemt gestaag toe sinds 1990

Volgens historische bronnen waren er in de veertiende eeuw al grote kwakkenkolonies in Nederland. Tot in de negentiende eeuw broedde de kwak Nycticorax nycticorax in soms grote kolonies in moerasgebieden, speciaal in het westen des lands. In de twintigste eeuw waren slechts tijdelijk kleine kolonies aanwezig in de Biesbosch en de Peel; elders (o.a. Flevoland en rivierengebied) werd incidenteel gebroed. Het totaal aantal broedparen per jaar bedroeg hooguit enkele tientallen. Sinds 1990 laat de kwak een significante toename van >5% per jaar zien. Het broedvogelbestand van de kwak werd door SOVON in 2005-2008 op 21 - 50 paar geschat. De vogels verzamelen 's nachts hun vooral uit kikkers en vissen bestaande voedsel. In de jaren 1990 waren overal in Europa de broedpopulaties van de kwak stabiel en in Frankrijk was er zelfs een sterke toename (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd.

De broedpopulatie van de aalscholver neemt sinds de jaren 1980 sterk toe

Aalscholvers (Phalacrocorax carbo) zijn viseters (zoals voorn, baars, snoekbaars en paling) die vaak in grote groepen en tot op grote afstand van de kolonie (tot 60 km) foerageren. De meeste broedkolonies van de aalscholver liggen in waterrijke gebieden in het westen en noorden van Nederland en langs de grote rivieren. Kolonies van meer dan 500 broedparen bevinden zich vrijwel steeds in de omgeving van het IJsselmeer, de Waddenzee, Noordzee en de Deltawateren. Volgens de gegevens van SOVON ging het landelijke broedbestand sinds de jaren 1980 vooruit en was er vanaf 1990 een significante toename van <5% per jaar. Het huidige broedbestand (2005-2008) wordt op 21.000-23.300 paar geschat. De broedpopulaties van de aalscholver nemen vrijwel overal in Europa toe (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Spectaculaire toename van de kleine mantelmeeuw sinds de jaren zestig

Het broedgebied van de Kleine Mantelmeeuw beperkt zich vrijwel geheel tot de directe omgeving van de kust, vooral het Delta- en het Waddengebied. In de jaren 1960 broedden nog maar zo'n 80 paren van de kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) in Nederland. Sindsdien echter zijn de aantallen van de kleine mantelmeeuw hals-over-kop toegenomen. Tegen het einde van de jaren 1970 werden 11.000 paren geteld, tien jaar later waren dat er 23.000. Nog een decennium later werden al meer dan 50.000 paren gemeld en nog altijd nemen de aantallen van de kleine mantelmeeuw toe. Vanaf 1990 was er volgens SOVON een significante toename van >5% per jaar. Het huidige broedbestand (2005-2008) wordt op 82.000 - 92.000 paar geschat. Ook elders in West-Europa groeide de broedpopulatie van de Kleine Mantelmeeuw in de periode 1990-2000 spectaculair (gegevens Birdlife International, zie bijlage)

De kleine mantelmeeuw leeft vooral van (zee-)vis, en zwemkrabben, maar ook op het land wordt veel gefoerageerd (zoogdieren, insecten, in minder mate ook afval). De soort foerageert tot op zeer grote afstand van de kolonie, doorgaans binnen een straal van 135 km van de kolonie.