Kuifleeuwerik, paapje en tapuit verdwijnen als broedvogels uit Vlaanderen

Net als het paapje Saxicola rubetra staan ook de tapuit Oenanthe oenanthe en de kuifleeuwerik Galerida cristata op het punt als broedvogels uit Vlaanderen te verdwijnen. Rond het midden van de jaren '70 werden van de tapuit minstens een 230-tal paren in Vlaanderen geteld, in 1980-1982 nog ongeveer 170 paren, maar vanaf 1985 komen de schattingen niet meer boven de 50 paar uit en in 2003-2005 schommelde de populatie jaarlijks rond 8-12 paren. Het paapje kende sinds de jaren '60 en '70 (toen de populatie in Vlaanderen op 300 paar werd geschat) een dramatische achteruitgang van minstens 90%: schattingen voor 1985-1988 en 1989-1991 leverden resp. 20 en 9-17 paar op en in 2005 waren broedgevallen zeer zeldzaam geworden. De huidige totale Vlaamse populatie van de kuifleeuwerik wordt op maximaal 20-25 paren geschat.

Dramatische achteruitgang van broedvogelsoorten in landbouwgebieden van Klein-Brabant 1988-2001

Bij een vergelijkende broedvogelinventarisatie in 1988 en 2001 in Klein-Brabant (provincie Antwerpen) deden zich de grootste veranderingen voor bij de broedvogels van landbouwgebieden. Sommige vogelsoorten van het boerenland kenden een dramatische afname. Graspieper Anthus pratensis: -96%; Veldleeuwerik Alauda arvensis: -77%; Ringmus Passer montanus: -82%; Boerenzwaluw Hirundo rustica: -69%; Zomertortel Streptopelia turtur: -61%. De Grauwe Gors Miliaria calandra en kwartel Coturnix coturnix zijn zo goed als uitgestorven in het gebied.

Het paapje komt door het gebruik van pesticiden nauwelijks meer voor in het boerenland

In 1960 omvattende de Nederlandse populatie van het paapje Saxicola rubetra 2.500-4000 paren. De huidige aantallen liggen ruim 80% lager. Ook vanaf 1990 is er een significante afname. Voor het paapje is een ruim en gevarieerd insectenaanbod cruciaal. Deze vogelsoort is verdwenen uit het agrarische cultuurland en de duinen. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, loopkevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder het paapje bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn. Het voorkomen van het paapje is nu geconcentreerd in hoogvenen, vochtige heidevelden en natte graslanden in het noordoosten van het land (Drenthe, Oost-Groningen, Zuidoost-Friesland). In het Bargerveen nam het aantal territoria af van van 11 tot 18 in de periode 2000 tot 2003 naar 6 in 2009; in het Drents-Friese Wold nam het aantal territoria af van 9 tot 21 in de periode 2000 tot 2003 naar 9 in 2009.

Voor veel bedreigde vogelsoorten is de mestfauna een belangrijke voedingsbron

Ongewervelden die zich in de mest bevinden, zoals larven van vliegen en mestkevers, zijn een voedingsbron voor insectenetende vogels maar vaak ook een belangrijke eiwitbron voor de jongen van vogels waarvan de volwassenen zaadetend zijn: spreeuwen Sturnidae, kraaiachtigen (o.a. roek Corvus frugilegus, kauw Corvus monedula, zwarte kraai Corvus corone en ekster Pica pica), leeuweriken Alaudidae, gierzwaluwen Apus apus, zwaluwen (o.m. huiszwaluw Delichon urbicum en boerenzwaluw Hirundo rustica) en kwikstaarten Motacillidae (witte kwikstaarten Motacilla alba eten Sphaeroceridae).

De laatste Zwitserse Ortolanen ten dode opgeschreven door gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw

Het is vrijwel zeker dat de ortolaan (Emberiza hortulana) door het gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw inmiddels uit Nederland en Vlaanderen is verdwenen. De precaire stand van de ortolaan in Zwitserland was aanleiding om in 2007 een onderzoek te starten naar de habitat- en voedselkeus van broedvogels met jongen, maar snel werd duidelijk dat de werkelijkheid het onderzoek had ingehaald. Er werd niet meer gebroed. Er werd een poging gedaan het foerageergedrag van de laatste Zwitserse ortolanen vast te leggen. Bespoten mais werd het vaakst gebruikt as foerageergebied, gevolgd door rogge en grasland, en vervolgens onbespoten mais. Binnen de bezochte habitats hadden foeragerende vogels een voorkeur voor kale grond wat de keuze voor met herbiciden bespoten maïs verklaart (hoewel de graslanden een groter aanbod van ongewervelde dieren hadden). De keuze voor bespoten maïs was waarschijnlijk de minst ongunstige optie binnen een sterk verarmd leefgebied.

De grauwe gors is door het gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw in Nederland uitgestorven

De broedpopulatie van de Grauwe Gors (Miliaria calandra, Synoniem: Emberiza calandra) in Nederland is van 1995-2001 met ongeveer driekwart afgenomen. De laatste bolwerken waren Limburg en de uiterwaarden van de Waal. Het landbouwkundige grondgebruik was sterk geintensiveerd in gebieden waar de Grauwe Gors was verdwenen. Vanaf 2008 werd geen enkel succesvol broedgeval van de Grauwe Gors meer gemeld. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, kevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder de Grauwe Gors bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn.

De stille lente: neergang van insecten en broedvogels in Kortrijk sinds 1949

Zestig jaar lang heb ik de vogels in een studieterrein op het grondgebied van Kortrijk (100 ha) bestudeerd. Er heeft een aanzienlijke vermindering van vele soorten insecten (het best gedocumenteerd voor vlinders, sprinkhanen en meikevers) plaatsgevonden en ook de flora is aanzienlijk verarmd. Er was een algemene vermindering van de avifauna. Het zijn vooral de kleine zangvogels die achteruit gegaan zijn. Het aantal koppels kleine zangvogels is van 494 in 1950 gedaald tot 130 in 2000. De zangvogels vinden simpelweg onvoldoende voeding om hun voortplanting op peil te houden.

Uitstervende zadelsprinkhanen en kleine wrattenbijters in Gelderland

Gelderland is een zeer belangrijke provincie voor de Nederlandse sprinkhanenfauna. Voor de zadelsprinkhaan Ephippiger ephippiger en de kleine wrattenbijter Gampsocleis glabra herbergt Gelderland zelfs een groot deel van de Noordwest-Europese populaties. De zadelsprinkhaan is sinds 1980 in 16 gebieden in Gelderland gevonden. Deze gebieden zijn in 2004 onderzocht en de soort bleek nog maar in 10 ervan voor te komen. De populaties zijn sterk van elkaar geïsoleerd. Tussen Nijmegen en Mook kwam de zadelsprinkhaan vroeger op een groot aantal plaatsen voor, vaak ook met veel tegelijk. De soort komt nu alleen nog voor rond het noordelijke heideveld van Mulderskop. De kleine wrattenbijter heeft nog slechts één populatie in Nederland: de Oldebroekse Heide.

Sterke afname van vlinders in Nederland en Vlaanderen - West-Nederland opvallend arm aan vlinders

In Nederland was het aantal dagvlinders nog nooit zo laag als in 2008. Op een gemiddelde algemene route werden nog geen 480 vlinders geteld. In het topjaar 1995 waren dat er meer dan 1000, in 2007 nog bijna 570. Buiten de duinen is West-Nederland opvallend arm aan vlinders. Maar de laatste tien jaar zien we in de duinen eveneens een sterke achteruitgang. Ook de aantallen nachtvlinders zijn in dertig jaar met een derde afgenomen en tweederde van de soorten gaat achteruit. In het Groene Hart zijn enkele soorten als de aardbeivlinder, zilveren maan en parelmoervlinder al uitgestorven. Ook in Vlaanderen is sprake van sterke achteruitgang. Antwerpen heeft, net als Oost-Vlaanderen, niet minder dan 35% van zijn oorspronkelijke dagvlinderfauna verloren. In Vlaams-Brabant (inclusief Brussel) is 44% van de soorten verdwenen, in West-Vlaanderen 29% en in Limburg 25%.

Sinds 1994 wordt het insecticide imidacloprid in toenemende mate gebruikt in de Nederlandse land- en tuinbouw, met een zware belasting van het oppervlaktewater met dit insecticide als gevolg, vooral in West-Nederland, waardoor het gif zich in het milieu kan verspreiden en daarmee een toegevoegde bedreiging voor niet-doelwit insecten (zoals bijen en vlinders) vormt. Een causaal verband tussen de neergang van vlinders en het toenemende gebruik van imidacloprid kan niet worden uitgesloten.

Imidacloprid gebruik op het niveau van 2004 maakt zware grond- en oppervlaktewaterverontreiniging onvermijdelijk

In 1995 gebruikten 2.381 bedrijven op een oppervlakte van 5.335 hectare in totaal 668 kilogram imidacloprid. In 2004 gebruikten 8.683 bedrijven op een oppervlakte van 39.691 hectare in totaal 6.332 kilogram imidacloprid. In 2008 werd op een oppervlakte van 34.577 hectare in totaal 6.027 kilogram imidacloprid gebruikt. Als zes ton imidacloprid jaarlijks over Nederlands akkerland verspreid wordt, kan met het EUSES model (European Union System for the Evaluation of Substances) worden berekend dat er een gemiddelde concentratie (in steady state) van 174 nanogram imidacloprid per liter in oppervlaktewater en een gemiddelde concentratie (in steady state) van 615 nanogram imidacloprid per liter in het grondwater van akkerland zal ontstaan. In het akkerbouwland van Nederland blijft dan ongeveer één-zesde van de applicatie, d.w.z. 914 kg imidacloprid in de bodem zitten.