De purperreiger populatie groeit gestaag sinds 1990 dankzij aanbod aan vis in veenweidegebied

In tegenstelling tot de leegloop (in de veenweiden van West-Nederland) van kievit, grutto, tureluur, scholekster, veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart (weidevogelsoorten die afhankelijk zijn van het aanbod aan insecten) is de Purperreiger Ardea purpurea broedvogel populatie in Nederland sinds 1990 met ongeveer 160% toegenomen: in 1990 270-280 paren in 17 kolonies en in 2008 702 in 25 kolonies. Daarmee heeft deze soort zich aanzienlijk weten te herstellen van een inzinking in de jaren zeventig en tachtig, veroorzaakt door droogte in de overwinteringsgebieden (Sahel) en habitatverslechtering in de broedgebieden. Ook in Frankrijk en Italië vertoonde de purperreiger in de jaren 1990 sterke groei, terwijl in sommige Oost-Europese landen de bestanden afnemen (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Purperreigers zoeken hun voedsel, dat voornamelijk uit kikkers, vis, (larven van) waterinsecten, kevers en muizen bestaat, langs sloten. Vooral het veenweidegebied met zijn talloze ondiepe en vaak soortenrijke sloten is een ideale habitat voor de purperreiger. Recent onderzoek in veenweiden toonde aan dat de dichtheid aan purperreigers in een polder in belangrijke mate werd verklaard door het aanbod aan vis. Naarmate er meer verschillende soorten en grotere hoeveelheden vis aanwezig waren in een polder werden er meer reigers geteld.

De duinpieper en draaihals kunnen zich ook op de Veluwe niet handhaven en verdwijnen als broedvogels

De afname van het aantal broedende duinpiepers Anthus campestris in Nederland is in de tweede helft van de jaren negentig in een versnelling gekomen. Aanvankelijk namen vooral de aantallen buiten de twee belangrijkste gebieden af, maar daarna zijn ook deze populaties op de Veluwe (het Kootwijkerzand en het Harskampse Zand) voor de bijl gegaan. In 2003 werd nog slechts één territorium gevonden, in 2004 voor zo ver bekend geen enkele. Het dieet van Duinpiepers omvat een breed spectrum van vooral kleine insecten en andere ongewervelden. Het broedgebied van de draaihals Jynx torquilla in Nederland is ook geconcentreerd in de centrale en zuidelijke Veluwe (Kootwijkerzand, Harskampse Zand, Planken Wambuis en de Zuidoost-Veluwe). Sinds 1973-1977 is het aantal paren met 60-75% gedaald en de afname zet nog steeds door, ook in de resterende broedgebieden op de Veluwe. Over de periode 1994-2003 vertoont de landelijke trend een sterke afname. Het voedsel van de draaihals bestaat uit mieren en mierenpoppen.

Kuifleeuwerik, paapje en tapuit verdwijnen als broedvogels uit Vlaanderen

Net als het paapje Saxicola rubetra staan ook de tapuit Oenanthe oenanthe en de kuifleeuwerik Galerida cristata op het punt als broedvogels uit Vlaanderen te verdwijnen. Rond het midden van de jaren '70 werden van de tapuit minstens een 230-tal paren in Vlaanderen geteld, in 1980-1982 nog ongeveer 170 paren, maar vanaf 1985 komen de schattingen niet meer boven de 50 paar uit en in 2003-2005 schommelde de populatie jaarlijks rond 8-12 paren. Het paapje kende sinds de jaren '60 en '70 (toen de populatie in Vlaanderen op 300 paar werd geschat) een dramatische achteruitgang van minstens 90%: schattingen voor 1985-1988 en 1989-1991 leverden resp. 20 en 9-17 paar op en in 2005 waren broedgevallen zeer zeldzaam geworden. De huidige totale Vlaamse populatie van de kuifleeuwerik wordt op maximaal 20-25 paren geschat.

Dramatische achteruitgang van broedvogelsoorten in landbouwgebieden van Klein-Brabant 1988-2001

Bij een vergelijkende broedvogelinventarisatie in 1988 en 2001 in Klein-Brabant (provincie Antwerpen) deden zich de grootste veranderingen voor bij de broedvogels van landbouwgebieden. Sommige vogelsoorten van het boerenland kenden een dramatische afname. Graspieper Anthus pratensis: -96%; Veldleeuwerik Alauda arvensis: -77%; Ringmus Passer montanus: -82%; Boerenzwaluw Hirundo rustica: -69%; Zomertortel Streptopelia turtur: -61%. De Grauwe Gors Miliaria calandra en kwartel Coturnix coturnix zijn zo goed als uitgestorven in het gebied.

Het paapje komt door het gebruik van pesticiden nauwelijks meer voor in het boerenland

In 1960 omvattende de Nederlandse populatie van het paapje Saxicola rubetra 2.500-4000 paren. De huidige aantallen liggen ruim 80% lager. Ook vanaf 1990 is er een significante afname. Voor het paapje is een ruim en gevarieerd insectenaanbod cruciaal. Deze vogelsoort is verdwenen uit het agrarische cultuurland en de duinen. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, loopkevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder het paapje bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn. Het voorkomen van het paapje is nu geconcentreerd in hoogvenen, vochtige heidevelden en natte graslanden in het noordoosten van het land (Drenthe, Oost-Groningen, Zuidoost-Friesland). In het Bargerveen nam het aantal territoria af van van 11 tot 18 in de periode 2000 tot 2003 naar 6 in 2009; in het Drents-Friese Wold nam het aantal territoria af van 9 tot 21 in de periode 2000 tot 2003 naar 9 in 2009.

Voor veel bedreigde vogelsoorten is de mestfauna een belangrijke voedingsbron

Ongewervelden die zich in de mest bevinden, zoals larven van vliegen en mestkevers, zijn een voedingsbron voor insectenetende vogels maar vaak ook een belangrijke eiwitbron voor de jongen van vogels waarvan de volwassenen zaadetend zijn: spreeuwen Sturnidae, kraaiachtigen (o.a. roek Corvus frugilegus, kauw Corvus monedula, zwarte kraai Corvus corone en ekster Pica pica), leeuweriken Alaudidae, gierzwaluwen Apus apus, zwaluwen (o.m. huiszwaluw Delichon urbicum en boerenzwaluw Hirundo rustica) en kwikstaarten Motacillidae (witte kwikstaarten Motacilla alba eten Sphaeroceridae).

De laatste Zwitserse Ortolanen ten dode opgeschreven door gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw

Het is vrijwel zeker dat de ortolaan (Emberiza hortulana) door het gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw inmiddels uit Nederland en Vlaanderen is verdwenen. De precaire stand van de ortolaan in Zwitserland was aanleiding om in 2007 een onderzoek te starten naar de habitat- en voedselkeus van broedvogels met jongen, maar snel werd duidelijk dat de werkelijkheid het onderzoek had ingehaald. Er werd niet meer gebroed. Er werd een poging gedaan het foerageergedrag van de laatste Zwitserse ortolanen vast te leggen. Bespoten mais werd het vaakst gebruikt as foerageergebied, gevolgd door rogge en grasland, en vervolgens onbespoten mais. Binnen de bezochte habitats hadden foeragerende vogels een voorkeur voor kale grond wat de keuze voor met herbiciden bespoten maïs verklaart (hoewel de graslanden een groter aanbod van ongewervelde dieren hadden). De keuze voor bespoten maïs was waarschijnlijk de minst ongunstige optie binnen een sterk verarmd leefgebied.

De grauwe gors is door het gebruik van pesticiden in de intensieve akkerbouw in Nederland uitgestorven

De broedpopulatie van de Grauwe Gors (Miliaria calandra, Synoniem: Emberiza calandra) in Nederland is van 1995-2001 met ongeveer driekwart afgenomen. De laatste bolwerken waren Limburg en de uiterwaarden van de Waal. Het landbouwkundige grondgebruik was sterk geintensiveerd in gebieden waar de Grauwe Gors was verdwenen. Vanaf 2008 werd geen enkel succesvol broedgeval van de Grauwe Gors meer gemeld. Uit recent onderzoek van Wageningen Universiteit en acht andere Europese universiteiten is gebleken dat het gebruik van pesticiden, zoals in de intensieve akkerbouw, een negatief effect heeft op de biodiversiteit van wilde planten, kevers en broedvogels. Ook voor een aantal afzonderlijke broedvogelsoorten waaronder de Grauwe Gors bleken insecticiden en fungiciden de doorslaggevende factoren te zijn.

De stille lente: neergang van insecten en broedvogels in Kortrijk sinds 1949

Zestig jaar lang heb ik de vogels in een studieterrein op het grondgebied van Kortrijk (100 ha) bestudeerd. Er heeft een aanzienlijke vermindering van vele soorten insecten (het best gedocumenteerd voor vlinders, sprinkhanen en meikevers) plaatsgevonden en ook de flora is aanzienlijk verarmd. Er was een algemene vermindering van de avifauna. Het zijn vooral de kleine zangvogels die achteruit gegaan zijn. Het aantal koppels kleine zangvogels is van 494 in 1950 gedaald tot 130 in 2000. De zangvogels vinden simpelweg onvoldoende voeding om hun voortplanting op peil te houden.

Uitstervende zadelsprinkhanen en kleine wrattenbijters in Gelderland

Gelderland is een zeer belangrijke provincie voor de Nederlandse sprinkhanenfauna. Voor de zadelsprinkhaan Ephippiger ephippiger en de kleine wrattenbijter Gampsocleis glabra herbergt Gelderland zelfs een groot deel van de Noordwest-Europese populaties. De zadelsprinkhaan is sinds 1980 in 16 gebieden in Gelderland gevonden. Deze gebieden zijn in 2004 onderzocht en de soort bleek nog maar in 10 ervan voor te komen. De populaties zijn sterk van elkaar geïsoleerd. Tussen Nijmegen en Mook kwam de zadelsprinkhaan vroeger op een groot aantal plaatsen voor, vaak ook met veel tegelijk. De soort komt nu alleen nog voor rond het noordelijke heideveld van Mulderskop. De kleine wrattenbijter heeft nog slechts één populatie in Nederland: de Oldebroekse Heide.