Het gaat bar en barslecht met de tortelduiven in Nederland

De zomertortel broedt in bosranden, parkachtige landschappen met verspreid staande bomen en bosjes, heggen en houtwallen. De zomertortel keert eind april terug vanuit zijn overwinteringsgebieden in Afrika om hier te broeden. Het gehele jaar worden zaden gegeten; zowel oogstresten als onkruidzaden. Vòòr 1950 was de zomertortel Streptopelia turtur (die toen nog gewoon tortelduif heette) een zeer algemeen voorkomende vogel. Daarna daalde het aantal broedparen dat tussen 1973 en 1985 nog geschat werd op 35.000 tot 50.000. Volgens SOVON daalde dit verder in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar (significant). Rond 2007 broedden er nog 10.000 tot 12.000 paar in Nederland. Volgens de Vogelbescherming is het bestand sinds 1980 met 85% afgenomen.

De sterke afname van de houtduif door de moderne landbouw

De houtduif (Columba palumbus) is in België en Nederland de grootste duivensoort. De Houtduif eet voornamelijk zaden, bessen en groene planten. Soms ook ongewervelden. In de jaren 1998-2000 werden zo'n 460.000 paren vastgesteld. Dat zijn er minder dan in de voorgaande census-periode (1979-1985); toen werd een schatting van 500.000 tot 800.000 paren gemaakt. De afname is vooral het gevolg van veranderingen in de landbouw, waardoor veel minder voedsel overblijft voor houtduiven. Ook in Zweden ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Houtduiven zoeken hun voedsel in een veelheid aan biotopen; van stedelijke gebieden, waar ze leven van wat in tuinen en parken te vinden is, tot op de bosbodem. Favoriet zijn echter kleinschalige landbouwgebieden waar granen verbouwd worden, omgeven door bossen. Deze gebieden zijn vooral te vinden in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe, maar in alle overige provincies komt de houtduif ook veel voor.

De gele kwikstaarten gaan hard achteruit in de Benelux

Gele kwikstaarten Motacilla flava hebben een voorkeur voor open landbouwgebieden met een dichte vegetatie van 40 tot 65 cm. hoogte. Gele kwikstaarten zoeken hun voedsel voornamelijk in voedselrijke weilanden op de kleigronden. Het zijn insecteneters die naar allerlei dierlijke eiwitten zoeken. Daarbij wippen ze de staart regelmatig met felle schokkende bewegingen op en neer: het typische 'kwikken' van de staart. Het gele kwikstaartenbestand is de laaste decennia geslonken naar ongeveer 40.000 tot 50.000 paren. Door de geleidelijke afname is de gele kwikstaart in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. De gele kwikstaart is als achteruitgaand op de Vlaamse rode lijst geplaatst en als ernstig bedreigd op de Luxemburgse rode lijst. Ook in veel andere delen van Europa (Engeland, Duitsland, Zweden, Finland, Estland, Litouwen, Slowakije, Kroatië, Roemenië, Portugal. Griekenland) ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Sterke afname van de steenuil in het westen en noorden van Nederland

Tot ver in de twintigste eeuw broedden enkele tienduizenden paren van de steenuil Athene noctua in ons land. De laatste decennia is de stand sterk afgenomen. Tussen 1980 en 1990 werd het aantal broedparen nog geschat op rond de 10.000 paar. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 5500 tot 6500 paar in Nederland. De afname was het grootst in het westen en noorden van het land. Landbouwgif is zeker de oorzaak van de afname van belangrijke prooien als kevers en andere grote insekten. De soort is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. In Luxemburg dreigt de soort uit te sterven. De steenuil is ook ernstig bedreigd in Duitsland. Ook in Frankrijk, Spanje, en Rusland gaat de soort hard achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de kneu is sinds 1980 gehalveerd

De kneu Carduelis cannabina is een typische vogel van ouderwets agrarisch cultuurland met houtsingels, heggen en dorpen met veel groen. De kneu kent van oudsher veel benamingen in de volksmond, te weten; kneu, vlasvink, robijntje, hennepvink en kneuter. De Haagse straat de Kneuterdijk is naar de Kneu vernoemd. Open gebieden met veel ruige begroeiing, struikgewas en allerlei planten is precies wat kneuen graag zien. Ze nemen genoegen met enkele struiken om in te broeden. De aantallen kneuen in Nederland zijn sterk afgenomen ten opzichte van de jaren 1979-1985, toen nog ongeveer 60.000 - 130.000 paren werden vastgesteld. Volgens de Vogelbescherming is de broedpopulatie sinds 1980 gehalveerd. Volgens SOVON broedden er nog ongeveer 45.000 paar in Nederland. Ook in België, Frankrijk en Duitsland ging de kneu in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.

Het voedsel bestaat ’s zomers uit zaden en insecten, ’s winters uit zaden.

De gierzwaluw is in grote delen van Europa in een steile duikvlucht

Zoals vissen in het water zijn gierzwaluwen Apus apus bijna altijd in de lucht. Na het uitvliegen komen ze de eerste 3-4 jaar niet meer aan de grond. De vogel is bruin-zwart met vleugels die in de vlucht een boog van 40 cm. vormen en waarmee tot wel 180 km/u kan worden gehaald. Niet-broedvogels slapen op 1-3 kilometer hoogte in de lucht in een slaap-zweefvlucht. Pas in het 3e of 4e jaar komen ze tot broeden. Eind april arriveren de eerste vogels uit het overwinteringgebied in zuidelijk Afrika. Na een week of twee-drie wordt begonnen met broeden. Het menu bestaat uit 20.000 muggen, vliegen, en andere insecten per dag voor een gezin met drie jongen. Gierzwaluwen zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn. De laatste 30-40 jaar is de gierzwaluwstand in Nederland met bijna de helft afgenomen naar ca. 60.000 broedparen. Ook elders in Europa (Ierland, Engeland, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Zweden, Finland, Slowenië, Kroatië, Albanië en Griekenland) daalde het broedbestand in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De Chimney Swift Chaetura pelagica, nauw verwant met de gierzwaluw, gaat sinds de jaren 1990 eveneens hard achteruit in Noord Amerika.

De sterke achteruitgang van de boomvalk door de afgenomen beschikbaarheid van prooidieren

Het is een adembenemend schouwspel; een jagende boomvalk die met hoge snelheid en een luide 'tsjak' een libel uit de lucht grijpt. Open gebieden met veel variatie en een ruime hoeveelheid prooidieren, omgeven door bos of bosjes, vormen het leefgebied van boomvalken. In het verleden kwam de boomvalk in Nederland vooral voor in de bossen op de zandgronden. Door voortdurende achteruitgang staat de boomvalk Falco subbuteo als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst. Het totaal aantal broedparen werd rond 2000 geschat op 750 tot 1000 paar. Dat is een stuk minder dan in de jaren '80 toen er nog 1.700 tot 2.100 paren werden geteld. Ook in Duitsland, Finland en Litouwen daalde de broedpopulatie in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als bedreigd op de Duitse rode lijst. De boomvalk pakt zijn prooi, vogels (zwaluwen, leeuweriken, gierzwaluwen, mussen, vinken, spreeuwen, merels) en insecten (libellen en kevers), bijna uitsluitend in vlucht. De afgenomen beschikbaarheid van prooidieren speelt waarschijnlijk een belangrijke rol bij de achteruitgang van deze kleine valk.

Het gaat bar slecht met de vogels in de Graafschap

Typerend voor de Graafschap is het kleinschalige coulisselandschap met kleine bosjes, houtwallen, singels, heggen en bolle akkers. Het werkgebied van de vogelwerkgroep Noord-West-Achterhoek ligt, met Lochem als centraal middelpunt, voor een groot deel in het Nationaal Landschap De Graafschap. De meest voorkomende biotopen voor vogels in het werkgebied zijn bos, zowel gesloten als halfopen, en agrarisch gebied. In het (half)open agrarisch cultuurlandschap verdwenen weidevogels als Grutto Limosa limosa, Tureluur Tringa totanus en Veldleeuwerik Alauda arvensis. Soorten als Nachtegaal Luscinia megarhynchos en Patrijs Perdix perdix worden nog zelden gezien of gehoord rond Lochem. Ook cultuurvolgers als Boerenzwaluw Hirundo rustica, Huiszwaluw Delichon urbicum en Huismus Passer domesticus volgen deze negatieve trend van achteruitgang.

Hoor je nog wel eens een koekoek?

De koekoek Cuculus canorus komt bijna overal in Europa voor. Het is een langeafstandstrekker die hier aankomt rond april-mei, en in augustus-september terugkeert naar de gebieden ten zuiden van de Sahara. In Nederland was er een achteruitgang van 50% in de laatste 30 jaar. Ook in Vlaanderen zijn de aantallen sterk gedaald in de voorbije 30 jaar. De terugval is het sterkst in landbouwgebieden. De soort staat als bedreigd op de rode lijst van Luxemburg en als gevoelig op de rode lijst van Duitsland. In Ierland, Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Zweden en Kroatië ging de soort in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Het broedseizoen van de koekoek is van mei tot juli, waarbij het broeden en grootbrengen van de jongen over wordt gelaten aan andere vogels (waardvogels). Deze broedparasiet steelt een ei uit een nest, daarna wordt snel het eigen ei in dit nest gelegd. De koekoek voedt zich met insecten en één van de redenen van de achteruitgang is de sterke vermindering van vlinders en motten.

Madeira groot koolwitje als eerste Europese vlindersoort uitgestorven

Een eerste Europese vlindersoort, het Madeira groot koolwitje Pieris wollastoni, is uitgestorven. Ook meer algemene vlindersoorten kennen een sterke achteruitgang. Tot die vaststelling kwamen vlinderexperten uit 31 Europese landen. De situatie van dagvlinders is het meest dramatisch in Noordwest-Europa. België en Nederland zijn daarbij de trieste koplopers. Uit onderzoek van de Vlinderwerkgroep van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is gebleken dat in België ongeveer een derde van dagvlindersoorten verdwenen is en dat nog een derde bedreigd is.