De boomteelt sector schuift ernstige milieuverontreiniging met bestrijdingsmiddelen voor zich uit

De boomteelt beslaat in Nederland slechts een kleine oppervlakte, maar groeit sterk in Brabant, vooral in de omgeving van Zundert. De middelen die in de boomteelt het meest belastend zijn voor het milieu (cijfers 2006) zijn imidacloprid (tegen insecten), kresoxim-methyl (tegen schimmels), linuron, diquat dibromide en paraquat dibromide. Bestrijdingsmiddelen gebruikt in de boomteelt zorgen in Zundert voor grote problemen in de omgeving. Water en natuur in de omgeving worden ernstig vervuild. De Brabantse Milieufederatie heeft de boomteeltsector rond Zundert hierop aangesproken. De BMF is van mening dat de sector de problemen teveel voor zich uitschuift; het is hoog tijd voor concrete maatregelen.

De tulpen worden duur betaald

In 2008 is in 40% van alle metingen van imidacloprid in het oppervlaktewater van het bloembollenteelt areaal een overschrijding gevonden, veruit het hoogste percentage sinds de start van de metingen in 2001. Overschrijdingen vinden vooral plaats in het ‘Noord-Hollands Zandgebied’ (57% van de metingen) en ‘Noord-Hollands Kleigebied’ (56%), beide in het gebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorder Kwartier (HHNK). Dit zijn de gebieden met het grootste areaal tulp, waarin het middel veel wordt ingezet. In de meetperiode 2003-2004 is imidacloprid voor het eerst in het meetnet bollenteelt normoverschrijdend aangetroffen. De hoogste gemeten concentratie van het voor bijen zeer giftige insecticide imidacloprid lag in 2005 meer dan 24000x boven de norm en in 2006 meer dan 15000x boven de norm. De bollenteelt concentreert zich in Nederland op zandgrond, dat zeer kwetsbaar is voor uitspoeling. Uit een recent RIVM rapport (bijlage) blijkt dat in de bollenteelt de hoeveelheid imidacloprid die in het oppervlaktewater terecht komt vooral bepaald wordt door drainage (ontwatering). Drainage is strikt noodzakelijk omdat een constant grondwaterpeil voor bollenteelt (bijvoorbeeld tulpen) zeer belangrijk is. De verantwoordelijkheid voor oppervlaktewaterverontreiniging met imidacloprid door de bollenteelt kan dus niet op de bollenboeren worden afgeschoven.

De broedpopulatie van de strandplevier is zeer sterk gedaald in de afgelopen 35 jaar

Strandplevieren waren lange tijd kenmerkende broedvogels van onze kustgebieden. In de afgelopen 35 jaar is de landelijke broedpopulatie van de strandplevier Charadrius alexandrinus meer dan 75% in aantal afgenomen: van 700-900 paren in de periode 1973-1977, naar 500-700 paren in 1979-1985, naar 330-370 paren in 1993-1997 en vervolgens naar 270-320 paren in 1998-2000 en 170-200 paren in 2009. De broedverspreiding van de strandplevier is nu nagenoeg beperkt tot het Delta- en Waddengebied en het zwaartepunt ligt in het Deltagebied (Grevelingenmeer, Westerschelde en Krammer-Volkerak). Eind 70-er jaren broedden ten minste 200 paren in de Grevelingen (bijvoorbeeld Slikken van Flakkee maximaal 117 paren, Veermansplaten 63 en Hompelvoet 60). Sedertdien vond een gestage afname plaats tot het huidige niveau van ruim 60 paren. In de hele Waddenzee broeden nog maar 25 paar strandplevieren en ook hier was de laatste jaren sprake van een afname van het aantal broedparen. De broedpopulatie van de strandplevier ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Het voedsel van de strandplevier bestaat uit insecten, kreeftachtigen, wormen en weekdieren.

De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit en dreigt uit te sterven in Nederland

De landelijke populatie van de grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is achteruitgegaan van ten minste 5.000 broedparen in 1950-1960 tot 1.200-1.600 in 1970-1980, 400-550 in 1989-1991, 250 in 1999-2003, en 150-180 in 2009. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones en het voedsel bestaat vooral uit water- en oeverinsecten zoals libellen en waterkevers. Het verspreidingsgebied van de grote karekiet is nu geconcentreerd in een aantal kerngebieden, met het belangrijkste bolwerk in Noordwest-Overijssel en directe omgeving (Wieden, Ketelmeer-Vossemeer, Zwarte Meer). Over de periode 1989-2001 bedroeg de afname in het bolwerk in Noordwest-Overijssel 40%. De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.

De kemphaan is verdwenen uit Vlaanderen en bijna uitgestorven in Nederland

Het gaat bar en bar slecht met de Nederlandse kemphanen Philomachus pugnax. Ten opzichte van de jaren '50 is de stand bijna met 100 procent afgenomen. In 1950 broedden er in Nederland nog 6000 paar, rond 2002 nog maar 120 en daarna ging het verder bergafwaarts. In Vlaanderen staat de kemphaan als verdwenen op de Vlaamse rode lijst. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. De kemphaan ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De kemphaan kwam vroeger veel voor in de natte weilanden van laag-Nederland. Het zwaartepunt van de huidige broedverspreiding ligt in Friesland (in natuurreservaten en natte veenweidegebieden in het ‘Lage Midden’ van de provincie) en in Noord-Holland (Waterland, Wormer- en Jisperveld, Alkmaardermeer). In graslanden en op bewerkt land eten kemphanen overwegend regenwormen en larven van langpootmuggen (emelten).

In een paar decennia is de gehele Nederlandse broedpopulatie van de kuifleeuwerik weggevaagd

De kuifleeuwerik Galerida cristata was zo'n 30 jaar geleden nog een algemene broedvogel met een geschat aantal van zo'n 3000 tot 5000 broedparen. Nu, begin 2011, lijkt het erop dat er nog slechts twee vogels overgebleven zijn op een onooglijk industrieterrein in de buurt van Venlo. Of het een paartje is, is niet eens bekend. De laatste tien jaar is het hard gegaan en zijn de overgebleven voormalige bolwerkjes in rap tempo uitgedoofd. In een paar decennia is de gehele populatie dus weggevaagd. In de Duitse deelstaat Sachsen liep de populatie binnen 10 jaar terug van 500-800 broedparen in 1993 - 1996 tot 150 -300 broedparen in 2004 - 2007 (zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. In Luxemburg is de kuifleeuwerik in 1973 al uitgestorven. In grote delen van Europa ging de kuifleeuwerik in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Kuifleeuweriken zijn extreme standvogels (waardoor er geen aanwas vanuit omringende landen te verwachten is), leven op open zandige en stoffige vlakten met schaarse vegetatie, vaak nabij menselijke bewoning, en voeden zich met ongewervelde dieren, zaden en bladeren.

Graslandvlinders gaan in Europa sterk achteruit

De zogenaamde Graslandvlinder Indicator geeft aan dat 17 karakteristieke en wijdverbreide vlindersoorten met meer dan zeventig procent zijn afgenomen in de laatste twintig jaar. De graslandindicator is gebaseerd op vlindertellingen op 3.000 plekken in 15 landen in heel Europa. Het gaat om wekelijkse tellingen van volwassen vlinders langs een vaste route. De indicator wordt berekend uit de individuele trend van 17 karakteristieke graslandsoorten die wijdverspreid in heel Europa voorkomen. Vlinders zijn gevoelige milieu-indicatoren en het resultaat wijst op een enorm verlies van de Europese biodiversiteit. Een onderliggende kracht achter de verliezen is de intensivering van landbouwgronden.

Sterke achteruitgang van de duinvlinders in de laatste tien jaar

De duinen waren jarenlang zeer vlinderrijk en het leek of de achteruitgang daar minder dramatisch was dan in het binnenland. Toen in 1990 het Meetnet dagvlinders startte, waren de duinen nog het soortenrijkste gebied. Ook in de periode tot 2000 werden op de monitoringroutes in de duinen nog erg veel vlinders geteld, zowel qua soorten als qua individuen. De laatste tien jaar zien we echter juist in de duinen een sterke achteruitgang. Gemiddeld worden er op een route bijna zeven (!) soorten minder gezien dan bij het begin van de tellingen in 1990. Dit is een achteruitgang van 35 procent. Moerasparelmoervlinder Euphydryas aurinia, grote vos Nymphalis polychloros en rouwmantel Nymphalis antiopa zijn inmiddels uit heel Nederland verdwenen.

Het gaat niet alleen over bijen, dit gaat over alle kleine dingetjes die de wereld laten draaien

In de afgelopen vijf jaar of zo begonnen op veel plaatsen bestuivers, honingbijen in het bijzonder, te verdwijnen en zijn regeringen wakker geschud over het probleem, omdat bestuiving miljarden waard is. In feite zijn insecten zoals vlinders, motten, hommels en haften al een lange tijd aan het verdwijnen hoewel bijna niemand, behalve specialisten, het hebben opgemerkt of er bezorgd over waren. Hun neergang begon een halve eeuw geleden met de introductie van pesticiden en andere chemicaliën in de landbouw. Maar de daling is in de afgelopen tien jaar in snelheid toegenomen met de introductie van systemische insecticiden zoals de neonicotinoïden die in alle delen van de plant worden opgenomen, inclusief het stuifmeel en nectar die bestuivende insecten verzamelen.

In zijn boek “The Systemic Insecticides – A Disaster In The Making” stelt de Nederlandse toxicoloog Henk Tennekes dat neonicotinoïden nu in een groot deel van het oppervlaktewater van Nederland aanwezig zijn, insecten uitroeit en in het hele land tot een daling van insectenetende vogels leidt. Als we bezorgd zijn over de kleine dingetjes die de wereld laten draaien, moeten we wakker worden over wat nu hun grootste bedreiging kan worden.

Het toegenomen gebruik van thiacloprid heeft normoverschrijdingen in grond- en oppervlaktewater tot gevolg

Volgens het CBS is het gebruik van het neonicotinoide insecticide thiacloprid gestegen van 320 kg op 1.191 ha in 2004 tot 7954 kg op 59.041 ha in 2008. Als acht ton thiacloprid jaarlijks over Nederlands akkerland verspreid wordt, kan met het EUSES model (European Union System for the Evaluation of Substances) worden berekend dat er een gemiddelde concentratie (in steady state) van 210 nanogram thiacloprid per liter in oppervlaktewater (zie bijlage) en van 815 nanogram thiacloprid per liter in grondwater zal ontstaan. De MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) norm voor oppervlaktewater is 25 nanogram thiacloprid per liter. Dat betekent dus dat volgens het EUSES model bij het gebruik van thiacloprid op het niveau van 2008 normoverschrijdingen onvermijdelijk zullen zijn. MTR overschrijdingen werden in 2008 inderdaad vastgesteld bij Sint Kruis (Zeeuws Vlaanderen), bij Separatiedij (Zeeland), tussen Zevenhuizen en Moordrecht, tussen Moerkapelle en Waddinxveen, bij Steenderen (Gld), en bij Assen. Deze normoverschrijdingen vormen een dodelijke bedreiging voor insecten.