Sterke achteruitgang van de nachtegaal in Oost- en Zuid Nederland

De nachtegaal Luscinia megarhynchos is een vogel met fabelachtige zangkwaliteiten die zich onopvallend ophoudt in dicht struikgewas. Dichte braamstruwelen met brandnetels in bosranden en houtwallen zijn favoriet. Het voedsel bestaat uit ongewervelden, die voornamelijk op of dichtbij de grond of in lage struiken worden gevonden. De nachtegaal vliegt soms op om insecten te vangen. Nachtegalen zijn nog steeds vrij talrijke broedvogels in Nederland. Echter, in Oost- en Zuid Nederland ging het minder goed met de nachtegaal. Sinds de jaren 1970 is sprake van een sterke achteruitgang. Dit is de reden dat de nachtegaal in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst is gezet. De soort staat ook als kwetsbaar op de Vlaamse rode lijst. Ook in Frankrijk, Servië en Griekenland nam de broedpopulatie in de jaren 1990 af (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De populatie spreeuwen in Nederland is sinds 1990 gehalveerd

Weilanden, grasvelden (van vochtig tot droog) en akkers voorzien spreeuwen van insecten en hun larven. Spreeuwen tasten de bodem van weilanden en grasvelden af op zoek naar insectenlarven. Op bemoste zandgrond (stuifzanden) keren ze het mos om op zoek naar emelten en andere (larven van) bodembewoners. Spreeuwen broeden in holtes van bomen in nestkasten en in gaten en kieren van gebouwen. Spreeuwen komen in broedseizoen ook in bos voor. In Nederland loopt de populatie spreeuwen Sturnus vulgaris sinds de jaren-1990 snel terug. SOVON vogelonderzoek telde vóór 1990 nog 1,3 miljoen exemplaren. In 2008 was dat aantal gedaald tot 600.000. De spreeuw gaat in grote delen van Europa hard achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de graspieper in Nederland is sinds 1980 gehalveerd

Graspiepers Anthus pratensis hebben duidelijk meer op met het noorden en zuidwesten van ons land dan met de rest. Zowel in de noordelijke zeeklei- en veengebieden als in het zeekleigebied in de Delta worden hoge dichtheden bereikt. Dit geldt ook voor de Waddeneilanden (vooral duinen en kwelders), de noordelijke zandgronden, de Drents-Groningse veenkoloniën en Flevoland. Op de hogere zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland is de Graspieper vrij spaarzaam en komt hij vooral voor in weinig verboste heidevelden en hoogveenreservaten, in open beekdalen en jonge ontginningslandschappen. Vogens de Vogelbescherming is de broedpopulatie sinds 1980 gehalveerd. De soort staat nu als gevoelig op de Nederlandse en Duitse rode lijst en als (ernstig) bedreigd op de Vlaamse en Luxemburgse rode lijst. Ook in Engeland en Frankrijk ging de graspieper in de jaren 1990 sterk achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De graspieper eet hoofdzakelijk ongewervelden, ook af en toe zaden en fourageert vrijwel uitsluitend op de grond.

Bijna onopvallend is de gekraagde roodstaart aan het verdwijnen

De gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus is een vogelsoort van oude, parkachtige bossen. Deze vogelsoort is vooral te vinden op de zandgronden. Open plekken, oude bomen, graslanden of heiden moeten elkaar afwisselen. De gekraagde roodstaart is tegenwoordig niet meer zo algemeen als enkele decennia geleden. Met name in het rivierengebied, Zuid-Holland en Zuid-Limburg neemt de soort sterk af. In de periode 1998 - 2000 broedden ongeveer 23.000 tot 30.000 paren gekraagde roodstaarten in Nederland. Dat zijn er minder dan de 35.000 tot 50.000 paren welke in de periode 1979 -1985 vastgesteld werden. Volgens SOVON was er tussen 1998 en 2005 ook sprake van een daling. De gekraagde roodstaart ging in de jaren 1990 in grote delen van Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De gekraagde roodstaart is ook een schaarse broedvogel geworden in Brabant en in Oost- en West-Vlaanderen. In de Kempen mag hij nog als vrij talrijk bestempeld worden, voornamelijk in naaldhout. Zijn type-biotoop bestaat uit parkachtig loofbos met voldoende bladerdak en voorzien van kreupelhout. Een uitgesproken habitat voor dit juweeltje bestaat uit oudere dennenbossen, boomgaarden, rijen knotwilgen, houtwallen, populier aanplantingen en woonwijken. De gekraagde roodstaart eet ongewervelden en vruchten. Ongewervelden worden vanaf zitplaats of op de grond gevangen. De vogel vangt ook vliegende insecten op vliegenvangerachtige wijze.

Het gaat bar en barslecht met de tortelduiven in Nederland

De zomertortel broedt in bosranden, parkachtige landschappen met verspreid staande bomen en bosjes, heggen en houtwallen. De zomertortel keert eind april terug vanuit zijn overwinteringsgebieden in Afrika om hier te broeden. Het gehele jaar worden zaden gegeten; zowel oogstresten als onkruidzaden. Vòòr 1950 was de zomertortel Streptopelia turtur (die toen nog gewoon tortelduif heette) een zeer algemeen voorkomende vogel. Daarna daalde het aantal broedparen dat tussen 1973 en 1985 nog geschat werd op 35.000 tot 50.000. Volgens SOVON daalde dit verder in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar (significant). Rond 2007 broedden er nog 10.000 tot 12.000 paar in Nederland. Volgens de Vogelbescherming is het bestand sinds 1980 met 85% afgenomen.

De sterke afname van de houtduif door de moderne landbouw

De houtduif (Columba palumbus) is in België en Nederland de grootste duivensoort. De Houtduif eet voornamelijk zaden, bessen en groene planten. Soms ook ongewervelden. In de jaren 1998-2000 werden zo'n 460.000 paren vastgesteld. Dat zijn er minder dan in de voorgaande census-periode (1979-1985); toen werd een schatting van 500.000 tot 800.000 paren gemaakt. De afname is vooral het gevolg van veranderingen in de landbouw, waardoor veel minder voedsel overblijft voor houtduiven. Ook in Zweden ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Houtduiven zoeken hun voedsel in een veelheid aan biotopen; van stedelijke gebieden, waar ze leven van wat in tuinen en parken te vinden is, tot op de bosbodem. Favoriet zijn echter kleinschalige landbouwgebieden waar granen verbouwd worden, omgeven door bossen. Deze gebieden zijn vooral te vinden in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe, maar in alle overige provincies komt de houtduif ook veel voor.

De gele kwikstaarten gaan hard achteruit in de Benelux

Gele kwikstaarten Motacilla flava hebben een voorkeur voor open landbouwgebieden met een dichte vegetatie van 40 tot 65 cm. hoogte. Gele kwikstaarten zoeken hun voedsel voornamelijk in voedselrijke weilanden op de kleigronden. Het zijn insecteneters die naar allerlei dierlijke eiwitten zoeken. Daarbij wippen ze de staart regelmatig met felle schokkende bewegingen op en neer: het typische 'kwikken' van de staart. Het gele kwikstaartenbestand is de laaste decennia geslonken naar ongeveer 40.000 tot 50.000 paren. Door de geleidelijke afname is de gele kwikstaart in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. De gele kwikstaart is als achteruitgaand op de Vlaamse rode lijst geplaatst en als ernstig bedreigd op de Luxemburgse rode lijst. Ook in veel andere delen van Europa (Engeland, Duitsland, Zweden, Finland, Estland, Litouwen, Slowakije, Kroatië, Roemenië, Portugal. Griekenland) ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Sterke afname van de steenuil in het westen en noorden van Nederland

Tot ver in de twintigste eeuw broedden enkele tienduizenden paren van de steenuil Athene noctua in ons land. De laatste decennia is de stand sterk afgenomen. Tussen 1980 en 1990 werd het aantal broedparen nog geschat op rond de 10.000 paar. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 5500 tot 6500 paar in Nederland. De afname was het grootst in het westen en noorden van het land. Landbouwgif is zeker de oorzaak van de afname van belangrijke prooien als kevers en andere grote insekten. De soort is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. In Luxemburg dreigt de soort uit te sterven. De steenuil is ook ernstig bedreigd in Duitsland. Ook in Frankrijk, Spanje, en Rusland gaat de soort hard achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de kneu is sinds 1980 gehalveerd

De kneu Carduelis cannabina is een typische vogel van ouderwets agrarisch cultuurland met houtsingels, heggen en dorpen met veel groen. De kneu kent van oudsher veel benamingen in de volksmond, te weten; kneu, vlasvink, robijntje, hennepvink en kneuter. De Haagse straat de Kneuterdijk is naar de Kneu vernoemd. Open gebieden met veel ruige begroeiing, struikgewas en allerlei planten is precies wat kneuen graag zien. Ze nemen genoegen met enkele struiken om in te broeden. De aantallen kneuen in Nederland zijn sterk afgenomen ten opzichte van de jaren 1979-1985, toen nog ongeveer 60.000 - 130.000 paren werden vastgesteld. Volgens de Vogelbescherming is de broedpopulatie sinds 1980 gehalveerd. Volgens SOVON broedden er nog ongeveer 45.000 paar in Nederland. Ook in België, Frankrijk en Duitsland ging de kneu in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.

Het voedsel bestaat ’s zomers uit zaden en insecten, ’s winters uit zaden.

De gierzwaluw is in grote delen van Europa in een steile duikvlucht

Zoals vissen in het water zijn gierzwaluwen Apus apus bijna altijd in de lucht. Na het uitvliegen komen ze de eerste 3-4 jaar niet meer aan de grond. De vogel is bruin-zwart met vleugels die in de vlucht een boog van 40 cm. vormen en waarmee tot wel 180 km/u kan worden gehaald. Niet-broedvogels slapen op 1-3 kilometer hoogte in de lucht in een slaap-zweefvlucht. Pas in het 3e of 4e jaar komen ze tot broeden. Eind april arriveren de eerste vogels uit het overwinteringgebied in zuidelijk Afrika. Na een week of twee-drie wordt begonnen met broeden. Het menu bestaat uit 20.000 muggen, vliegen, en andere insecten per dag voor een gezin met drie jongen. Gierzwaluwen zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn. De laatste 30-40 jaar is de gierzwaluwstand in Nederland met bijna de helft afgenomen naar ca. 60.000 broedparen. Ook elders in Europa (Ierland, Engeland, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Zweden, Finland, Slowenië, Kroatië, Albanië en Griekenland) daalde het broedbestand in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De Chimney Swift Chaetura pelagica, nauw verwant met de gierzwaluw, gaat sinds de jaren 1990 eveneens hard achteruit in Noord Amerika.